24. August 2017 10:47
Navigatie
Gebruikers Online
· Gasten online: 2

· Leden online: 0

· Totaal aantal leden: 25
· Nieuwste lid: moon19
Onze linkpartners zijn:
Humanitas

WSNP overheid

Hotforum Schulden

Statistieken
Onderwerp bekijken
bewindvoerders.net :: Het Juridische aspect :: Begrippen en regels
 Onderwerp afdrukken
VTLB rapportage juli 2016
Maickel
#1 Bericht afdrukken
Geplaatst op 13. August 2016 20:49
Avatar van gebruiker

Beheerder


Berichten: 929
Datum van aanmelding: 05.11.07

Hieronder vind je als één document de Vrij te laten bedrag (VTLB) rapportage juli 2016 zodat je makkelijk een passage kunt knippen/plakken als je die voor dit of een ander forum nodig hebt.

Het originele document kun je vinden op de site van de Wsnp (link hieronder)
De tabellen zijn helaas niet goed weer te geven.


http://www.wsnp.r...


Vtlb-rapport

Berekening van het vtlb bij toepassing van de Wet schuldsanering natuurlijke personen

Werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa

Versie juli 2016


Inhoudsopgave

Algemeen 5
Inleiding 5
Onderhoud van de methode 5
Landelijke Richtlijnen voor schuldsaneringen 6
Basisbeginselen 6
Opbouw van het rapport 7
Wijzigingen ten opzichte van de vorige versie 7
Herberekening 8
Het rekenprogramma: Vtlb-calculator en plug-in 8
De berekening van het vrij te laten bedrag en de afloscapaciteit 10

STAP 1 – De beslagvrije voet volgens art. 475d Rv (incl. woon– en 11 zorgpremiekosten en de ophoging in verband met het (fictief) kindgebonden budget.
De verschillende Participatienormen 11
Artikel 475d lid 1 sub a Rv – Echtgenoten/geregistreerde partners 11
Artikel 475d lid 1 sub b Rv – Alleenstaanden; ook van toepassing bij 12
Alleenstaande ouder(s)
Artikel 475d lid 1 sub c Rv – Schuldenaren met de PGL en ouder 13
Artikel 475d lid 2 Rv – Schuldenaren jonger dan 21 jaar 13
Artikel 475d lid 3 Rv – Verblijf in Inrichting 13 3.2 Verhoging beslagvrije voet voor zorgpremiekosten 14
3.3 Verhoging beslagvrije voet voor woonkosten 15
Vaststelling woonkosten voor schuldenaar 15
Huurtoeslag en verhoging in verband met woonkosten 16
Correctie woonlasten niet gecorrigeerd door 475d Rv 16
Inkomen partner niet bekend 17
Negatieve correctie als de woonlasten lager zijn dan de normhuur 17
Servicekosten 18
All-in huur 18
Eigen woning 18
Verhoging in verband met het (fictief) kindgebonden budget 20
Artikel 475d lid 5 Rv – Aftrek van inkomsten partner 20

STAP 2 – Reserverings-en arbeidstoeslag en correctie voor Eigen 22
Risico Zorgverzekering
Reserveringstoeslag: 5% van de Participatienorm 22 4.2 Arbeidstoeslag: 5% van de Participatienorm 23
4.3 Correctie voor eigen risico ziektekostenverzekering 23

STAP 3 - Kosten waarvoor gecorrigeerd kan worden door de Rechter- 25
Commissaris
Gemeente- en waterschapsbelasting 25
Ziektekosten 26
Voorliggende voorzieningen 26
Correcties 26
Eigen bijdrage WMO 27
Kosten auto en vervoer 27
Auto is een boedelbestanddeel 27
Medische noodzaak 27
Noodzakelijk voor inkomensverwerving 27
De reiskosten 28
Auto van de zaak 29
Studiekosten van kinderen van de schuldenaar 30
Kosten kinderopvang 31
Alimentatie, co-ouderschap en omgangsregeling 31
Door de schuldenaar te betalen kinderalimentatie 31
Door de schuldenaar te betalen partneralimentatie 32
Co-ouderschap en omgangsregeling 32
Correctie voor kosten budgetbeheer, budgetbegeleiding en 32
beschermingsbewind 5.8 Overige correcties 33
5.9 Geen correcties 33

Inkomsten 34
Inkomsten die wel als inkomen worden aangemerkt 34
Inkomsten in verband met meerderjarige inwoners 35
Verdeling heffingskortingen 36
Belastingaftrek specifieke ziektekosten/Tegemoetkoming Specifieke 36
Ziektekosten (TSZ)
Inkomsten die niet als inkomen worden aangemerkt 37
Nabestaanden- en wezenuitkering 38
Kinderbijslag 38
Bijzondere bijstand 38
Studiefinanciering voor schuldenaar en/of partner 38
Uitkeringen op grond van Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en 39
schoolkosten
Kindgebonden budget (KGB) 39
Zorgtoeslag 39
Inkomsten uit overwerk 39
Vakantiegeld en vakantiebonnen 40
Pleegkindvergoeding 41
Persoonsgebonden budget (PGB) 41

Overheveling 42

Bijlage 1 – De werking van de vtlb-calculator 43
Bijlage 2 – De normbedragen 46 Colofon

Dit rapport is een uitgave van de Werkgroep Rekenmethode. Deze werkgroep is onderdeel van Recofa, het landelijk overlegorgaan van rechters-commissarissen in faillissementen.
Niets uit dit rapport mag zonder voorafgaande schriftelijke toestemming op internet worden geplaatst. Toestemming kan worden gevraagd bij de secretaris van de Werkgroep Rekenmethode, Pauline de Wit-van Schie, via e-mailadres pvanschie@

1 Algemeen

1.1 Inleiding

De Werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa (het landelijk overlegorgaan van rechterscommissarissen in faillissementen) is eind 2000 voor het eerst samengekomen. Taak van deze werkgroep was het ontwerpen van een uniforme rekenmethode voor de berekening van het vrij te laten bedrag (vtlb) in wettelijke schuldsaneringen, welke aansloot bij de NVVK (Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet)-methode.

Wanneer een persoon wordt toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen
(Wsnp), valt in principe al het inkomen boven de beslagvrije voet in de boedel (artikel 295 Faillissementswet). De leden twee en drie van dit artikel bepalen dat de schuldenaar van zijn inkomsten de beslagvrije voet mag behouden, evenals een door de rechtercommissaris vastgesteld nominaal bedrag.
Dit betekent dat al het inkomen in de boedel valt op enkele, in het rapport genoemde, uitzonderingen na. Ook inkomensbestanddelen waarvoor een zo genoemd beslagverbod geldt, vallen in de boedel. Het is dus niet zo dat die inkomsten bovenop het berekende vtlb door de schuldenaar mogen worden behouden; die inkomsten worden geacht deel uit te maken van het inkomen waarvan alleen het vtlb behouden mag worden. Of dit nominale bedrag werd vastgesteld en zo ja, hoe hoog, werd overgelaten aan het beleid van de rechter-commissaris. Dit hield in dat de berekening van het vtlb per rechtbank kon verschillen met rechtsongelijkheid, onduidelijkheid bij betrokken instanties
(schuldhulpverleners, bewindvoerders, etc.) en tijdrovende berekeningen als gevolg. Om hier meer eenheid in te brengen is de Werkgroep Rekenmethode samengesteld. De rekenmethode zoals beschreven in dit rapport wordt gevolgd door alle rechtbanken en instellingen die lid zijn van de NVVK.
Voor de berekening van het vtlb is software ontwikkeld die kan worden gedownload van de website www.bureauwsnp.nl.

De werkgroep heeft personele en financiële bijstand gekregen van de Raad voor Rechtsbijstand ’s-Hertogenbosch. Het Bureau Wsnp (onderdeel van deze Raad) levert de secretaris en financiert de ontwikkeling en het onderhoud van de software. De werkgroep kan verder gebruik maken van de expertise van het Nibud en de ervaringen van de NVVK-leden en bewindvoerders.
De software wordt getest door medewerkers van enkele rechtbanken evenals enkele bewindvoerders, die samen een testgroep vormen.


1.2 Onderhoud van de methode

De rekenmethodiek wordt in verband met de periodieke wijzigingen van de Participatiewetnormen en huurtoeslag telkens per 1 januari en 1 juli herzien. De verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de methode en dit rapport ligt bij de Werkgroep Rekenmethode vtlb. De werkgroep bestaat op dit moment uit:

Voorzitter:
Mevrouw mr. A.M.P.T. Blokhuis, rechter-commissaris bij de rechtbank Gelderland

Secretaris:
Mevrouw drs. P.A.M. de Wit-van Schie, stafmedewerker Wsnp, Raad voor Rechtsbijstand ’s-Hertogenbosch


Leden:
Mevrouw mr. W.J. Don, rechter-commissaris bij de rechtbank Den Haag
Mevrouw mr. A.M. van Kalmthout, rechter-commissaris bij de rechtbank Rotterdam
Mevrouw mr. I. Bilderbeek, rechter-commissaris bij de rechtbank Amsterdam Mevrouw G. Schonewille, junior wetenschappelijk medewerker bij het Nibud

Toehoorders:
Mevrouw A.T. Bosma, BBW
Mevrouw M. Schellekens, Kred’IT BV
De heer J.M. Steur, secretaris bij de rechtbank Amsterdam
Mevrouw drs. J.K. Stoffels-Montfoort, NVVK
De heer G.C.F.J. Derkx, secretaris bij de rechtbank Gelderland
De heer mr. J.J.P. van Wieringen, hoofd juridische ondersteuning bij de rechtbank Den Haag


1.3 Landelijke Richtlijnen voor schuldsaneringen

In de Landelijke Richtlijnen voor schuldsaneringen is een bepaling opgenomen over het vtlb. De richtlijnen gelden vanaf 1 april 2009. Paragraaf 3 heeft betrekking op het vtlb en bevat de volgende tekst:

a)
Het vrij te laten bedrag wordt berekend aan de hand van de meest recente versie van het Rapport van de werkgroep rekenmethode Vtlb van Recofa. Deze berekening wordt uitgevoerd door middel van de zogeheten vrij te laten bedrag-calculator. De meest actuele versie van dit rapport en van deze calculator
– met de (doorgaans) per 1 januari en 1 juli aangepaste bijstandsnormen – zijn op de site www.bureauwsnp.nl beschikbaar.

b)
De bewindvoerder maakt bij of zo spoedig mogelijk na het huisbezoek de berekening van het vrij te laten bedrag en verstrekt dit aan de schuldenaar.

c)
Indien normbedragen wijzigen als gevolg van indexering, stuurt de bewindvoerder de schuldenaar zo spoedig mogelijk een aangepaste berekening van het vrij te laten bedrag toe.

d)
Iedere wijziging in het vrij te laten bedrag, anders dan als gevolg van een indexering, wordt in het verslag dat op deze periode betrekking heeft besproken. Een nieuwe berekening van het vrij te laten bedrag wordt als bijlage bij het verslag gevoegd.

e)
Indien het huwelijk van tot de schuldsaneringsregeling toegelaten echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden of het geregistreerd partnerschap van tot de schuldsaneringsregeling toegelaten partners met wederzijds goedvinden wordt ontbonden of door de rechter wordt beëindigd, wordt met ingang van het feitelijk uit elkaar gaan van de echtgenoten of partners voor beide echtgenoten of partners afzonderlijk het vrij te laten bedrag vastgesteld.

f)
De bewindvoerder voegt bij alle verslagen de voor de schuldenaar op dat moment geldende berekening van het vrij te laten bedrag.

g)
De bewindvoerder verzoekt de rechter-commissaris het vrij te laten bedrag bij beschikking vast te stellen. De rechter-commissaris kan ambtshalve of op gemotiveerd verzoek van de bewindvoerder aan het bepaalde in zijn beschikking voorwaarden verbinden of daaraan terugwerkende kracht verlenen. De bewindvoerder stuurt de schuldenaar een kopie van de beschikking toe, tenzij de hoogte van het door de rechter-commissaris vastgestelde vrij te laten bedrag niet afwijkt van de berekening van de bewindvoerder als bedoeld onder b. en de rechter-commissaris geen nadere voorwaarden heeft gesteld.



1.4 Basisbeginselen

De berekeningswijze zal in 95% van de gevallen moeten leiden tot een snel en eenduidig antwoord. Er zullen zich situaties blijven voordoen, die vragen om maatwerk. Uiteraard geldt dit rapport hiervoor als basis.
Hoe wordt bepaald welk deel van het inkomen in de boedel valt en welk deel erbuiten blijft? Van het inkomen blijft een bedrag ter hoogte van de beslagvrije voet buiten de boedel; de rechter-commissaris kan dit bedrag met een nominaal bedrag verhogen. Dit houdt in dat zolang de rechter-commissaris geen beschikking heeft afgegeven, slechts de beslagvrije voet buiten de boedel blijft. Daarnaast betekent dit dat er wel een vtlb kan worden bepaald, maar geen boedelbijdrage kan worden vastgesteld (het bedrag dat maandelijks aan de boedel betaald moet worden).
In de calculator worden geen correcties meer toegepast waarbij het inkomen van de partner van belang kan zijn als er sprake is van één partner in de regeling en er geen, voor de beoordeling van de verzochte correctie, noodzakelijke inzage wordt gegeven in het inkomen van de partner die niet in de regeling zit.
Het vrij te laten bedrag wordt per maand berekend. In het geval een schuldenaar een inkomen per 4 weken ontvangt is het ook mogelijk om het vrij te laten bedrag om te rekenen naar een vrij te laten bedrag per 4 weken. De schuldenaar draagt dan 13 keer af in een kalenderjaar.
Al het inkomen van de schuldenaar, onder welke noemer ook, wordt aan de boedel afgedragen voor zover het vtlb wordt overschreden. Een overzicht van inkomsten is te vinden in hoofdstuk 6.
Daar waar de wet zelf aftrek van vergoedingen op bepaalde kostenposten bepaalt (bijvoorbeeld bij huurtoeslag), wordt geen correctie toegepast.
Voor schuldregelingen die zijn aangevangen voor 1 oktober 2013 geldt dat de schuldenaar in ieder geval het salaris van de bewindvoerder aan de boedel moet voldoen. Deze verplichting geldt tot de beslagvrije voet (ondergrens). Het is dus mogelijk dat de schuldenaar wel een deel, maar niet het gehele bedrag aan salaris kan afdragen.
Voor schuldsaneringen die zijn aangevangen na 1 oktober 2013 geldt dat schuldenaren het bewindvoerdersalaris niet (volledig) hoeven te voldoen als zij daarmee onder het vtlb komen. Zij hoeven dus niet het bedrag tussen vtlb en beslagvrije voet daarvoor te benutten. Het bedrag dat de bewindvoerder daardoor minder uit de boedel kan opnemen wordt gecompenseerd door de aanvullende subsidie.
Indien er sprake is van twee partners, geen gemeenschap van goederen (gvg), moet ook ‘beiden in regeling’ worden ingevuld als op één van de partners een minnelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is én de partner in het kader van die regeling spaart ten behoeve van de schuldeisers.
In het rapport worden geen bedragen genoemd; deze staan vermeld in bijlage 2.


1.5 Opbouw van het rapport

Bij de opbouw van dit rapport is na wat algemene informatie voornamelijk de chronologie van de calculator gevolgd. De wetsartikelen waarnaar in dit rapport verwezen wordt, zijn te vinden op www.overheid.nl


1.6 Wijzigingen ten opzichte van de vorige versie

Ten opzichte van de vorige versie zijn er de volgende wijzigingen in het vtlb–rapport:

In paragraaf 3.1.5 is nader toegelicht wat te doen bij een (echt)paar waarvan één partner voor korte duur is opgenomen in een inrichting. In deze situatie blijft de norm gehuwden, niet in een inrichting, van kracht. De kosten voor de eigen bijdrage AWBZ kunnen dan opgenomen worden als “overige correcties” bij de partner die het betreft. Dit geldt zowel voor een echtpaar in gemeenschap van goederen als een paar niet in gemeenschap van goederen
De definitie van de woonlasten van een inwonende meerderjarige is vermeld in
3.3.1.
De term “ bovenmatige woonlasten” bleek multi-interpretabel. In 3.3.3 is de term “bovenmatige woonlasten” gewijzigd in “woonlasten voor zover de beslagvrije voet daarmee niet is verhoogd op grond van artikel 475d, lid 4 sub b Rv”. In alinea 3 van deze paragraaf is nader toegelicht welke overwegingen meespelen om een correctie toe te staan en wanneer een beperking van de periode voor correctie van de extra kosten is te overwegen
In paragraaf 3.3.5 is verduidelijkt dat voor alleenstaanden en alleenstaande inwoners (kostendelers) dezelfde beslagvrije voet geldt
In de situatie van een meerderjarige inwonende bij samenwonende partners (geen gemeenschap van goederen, beiden in de regeling), wordt de bijdrage van de inwonende in minderering gebracht op de woonlasten, alvorens deze in te voeren in de calculator. Dit is beschreven in paragraaf 3.3.1 en 6.1.1


In de calculator zijn ten opzichte van de vorige versie de volgende wijzigingen aangebracht:

de term “woonkosten boven maximale huurtoeslag” is gewijzigd in “correctie woonlasten boven correctie 475d Rv”. In de uitdraai is de term gewijzigd in
“woonlasten niet gecorrigeerd door 475d Rv”
de term “schuldenaar of partner in een inrichting” is op de uitdraai gewijzigd in
“schuldenaar/schuldenaren in een inrichting”

Daarnaast zijn de participatiewetnormen geldend per 1 juli 2016 in deze publicatie verwerkt. De bedragen zijn te vinden op www.overheid.nl


1.7 Herberekening

Volgens de Richtlijnen voor schuldsanering 2009 moet het vtlb bij, of zo spoedig mogelijk na het huisbezoek aan de schuldenaar worden verstrekt.
Het vtlb wordt eenmalig door de rechter-commissaris bij beschikking vastgesteld. Alleen als de rechter-commissaris afwijkt van de berekening van de bewindvoerder moet dit aan de schuldenaar worden doorgegeven.
Het vtlb wordt ieder half jaar, na aanpassing van de verschillende normbedragen (per 1 januari en per 1 juli), herberekend. Bij ieder openbaar verslag wordt een recente berekening gevoegd.
Bij een aanzienlijke wijziging wordt het vtlb tussentijds opnieuw berekend. Het is mogelijk dat de rechter-commissaris een nieuwe beschikking geeft. Het (her)berekende
bedrag geldt vanaf de maand volgend op de datum van de beschikking, tenzij anders
aangegeven.

Maken herberekening
Bij het maken van een herberekening over een voorgaande periode moet een eerdere calculator worden gebruikt. Dus bijvoorbeeld bij een herberekening over de periode juli – december 2015 moet de calculator van juli 2015 worden genomen. Het is dan belangrijk om bij ‘Datum berekening’ handmatig een datum in te vullen die ligt in de periode waarop de berekening betrekking heeft. Wanneer de calculator van juli 2015 wordt gebruikt dan moet bij ‘Datum berekening’ de datum liggen tussen 1 juli 2015 en 31 december 2015. De calculator gaat bijvoorbeeld bij het berekenen van de leeftijd van de kinderen uit van de leeftijd op de datum van de berekening. Wanneer de datum niet zou worden aangepast kan dit gevolgen hebben voor de correctie voor studiekosten van de kinderen en/of de hoogte van de correctie van het kind gebonden budget.


1.8 Het rekenprogramma: Vtlb-calculator en plug-in

Om tot een vlotte berekening van het vtlb te komen had de Werkgroep Rekenmethode in eerste instantie een Excel-rekenblad ontwikkeld. Omdat de berekening technisch ingewikkelder werd, is besloten nieuwe software te laten ontwikkelen. Daarom wordt vanaf 1 januari 2007 gebruik gemaakt van nieuwe software, die in opdracht van de Raad voor de Rechtsbijstand te ‘s-Hertogenbosch is ontwikkeld door Kred’IT. Dit is één programma, dat twee verschijningsvormen heeft:
een zelfstandig bruikbaar programma dat de naam “Vtlb-calculator” heeft gekregen. Dit programma is een soort schil om de software (plug-in);
de plug-in, waardoor bestaande bewindvoerder- en schuldhulpverleningssoftware na implementatie ervan gebruik maakt van dezelfde vtlb-berekening. Momenteel is de plug-in geïmplementeerd in verschillende software.

De beide verschijningsvormen zijn technisch gelijk, en geven bij gelijke invoer van gegevens dezelfde uitkomst; alleen de ‘bediening’ verschilt.

In dit rapport wordt ervan uit gegaan dat voor de berekening van het vtlb gebruik wordt gemaakt van de calculator of software met de plug-in.
In bijlage 1 wordt een korte indruk gegeven van de werking van de vtlb-calculator. Tevens is een voorbeeld van de output opgenomen. Vanaf hier wordt verder ingegaan op de berekening van het vtlb via de calculator of de software met de plug-in.




2 De berekening van het vrij te laten bedrag en de afloscapaciteit

Het vrij te laten bedrag (vtlb) wordt bepaald om de afloscapaciteit (AC) van de schuldenaar te kunnen vaststellen. De AC is het inkomen minus het vtlb.

Het vtlb wordt bepaald in 3 stappen:

Berekening van de beslagvrije voet art. 475d Rv, al dan niet inclusief een extra bedrag voor woonkosten en zorgpremiekosten en de ophoging in verband met het (fictief) kindgebonden budget.
Verhoging van de beslagvrije voet met de reserveringstoeslag, de arbeidstoeslag, en eventueel een correctie voor het eigen risico zorgverzekeringen als eerste onderdeel van het nominaal bedrag op basis van art. 295 lid 3 Fw (correcties RC). Hiervoor is echter geen expliciete toestemming van de rechter-commissaris nodig.
Verhoging van de verhoogde beslagvrije voet met de posten waarvoor de rechtercommissaris toestemming dient te geven als tweede deel van het zogenoemd nominaal bedrag op basis van art. 295 lid 3 Fw (correcties RC).

Deze drie stappen worden hierna besproken, in de hoofdstukken 3, 4 en 5. In hoofdstuk 6 wordt uiteengezet op welke wijze het inkomen voor de vtlb berekening moet worden berekend. Van het totale inkomen dient het VTLB te worden afgetrokken om de afloscapaciteit vast te stellen.


3 STAP 1 - De beslagvrije voet volgens art. 475d Rv (incl. woon- en zorgpremiekosten en de ophoging in verband met het (fictief) kindgebonden budget)

Uitgangspunt bij het bepalen van het vtlb is ingevolge art. 295 lid 1 Fw, de beslagvrije voet, zoals bepaald in art. 475d Rv.

Bepalend voor de hoogte van de beslagvrije voet is de persoonlijke situatie van de schuldenaar. Daarbij wordt aangeknoopt bij de zogenoemde Participatiewetnormen uit de
Participatiewet; in de meeste gevallen mag 90% van de toepasselijke
Participatiewetnorm worden behouden, verhoogd met een bedrag voor de woonkosten, de zorgpremiekosten, voor zover de daarvoor bestaande normen worden overschreden, en – indien van toepassing- het niet ontvangen (fictief) kindgebonden budget.

Art. 475d Rv onderscheidt de volgende categorieën:

Echtgenoten en geregistreerde partners (lid 1 sub a) tussen de 21 jaar en de Pensioen Gerechtigde Leeftijd (PGL)
Alleenstaanden (lid 1 sub b) tussen de 21 jaar en de PGL. Deze norm is ook van toepassing bij een alleenstaande ouder.
Schuldenaren boven de PGL (lid 1 sub c)
Schuldenaren jonger dan 21 jaar (lid 2)
Schuldenaren die verblijven in een inrichting (lid 3)
Schuldenaren met een partner met inkomen die niet in de Wsnp zit en waar geen sprake is van gemeenschap van goederen (lid 5)

De verschillende categorieën komen hierna aan de orde in 3.1 en 3.5. De verhogingen voor de zorgpremiekosten, voor de woonkosten en het kindgebonden budget worden besproken in 3.2, 3.3. en 3.4. Paragraaf 3.5 geeft toelichting op de aftrek in verband met het inkomen van een partner die niet in de Wsnp zit en waar geen sprake is van gemeenschap van goederen (475d lid 5 Rv).


3.1 De verschillende Participatienormen

3.1.1 Artikel 475d lid 1 sub a Rv – Echtgenoten/geregistreerde partners

De beslagvrije voet bedraagt voor de schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:
Echtgenoten of geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet die beiden 21 jaar of ouder zijn: negentig procent van de norm genoemd in artikel 21, onderdeel b en artikel 22, onderdeel b en c van die wet.

In artikel 3, waarnaar in deze bepaling verwezen wordt, is te lezen dat onder echtgenoten of geregistreerde partners, ook ongehuwd/ongeregistreerd samenwonenden, samenwonende broers of zussen, vriendinnen, etc. vallen, wanneer een gezamenlijke huishouding bestaat en dus sprake is van wederzijdse verzorging.

Hieronder vallen niet:
Woningdelers (zonder gezamenlijke huishouding).
De persoon die een gezamenlijke huishouding voert met een bloedverwant in de eerste graad (bijvoorbeeld moeder en zoon).
Bloedverwanten in de tweede graad, waarbij een van de bloedverwanten een zorgbehoefte heeft.

Als de schuldenaar aanspraak maakt op de norm voor echtgenoten, zal hij desgevraagd aan moeten tonen dat een gezamenlijke huishouding met wederzijdse verzorging bestaat.

Bij een gemeenschap van goederen kan worden volstaan met één vtlb-berekening; de inkomens van beide partners worden bij elkaar opgeteld.

Bestaat gemeenschap van goederen, maar is slechts één van de partners toegelaten tot de Wsnp, dan valt het inkomen van beide partners in de boedel (artikel 63
Faillissementswet, overeenkomstig van toepassing via artikel 313 van dezelfde wet).

De berekening maakt daarom in deze situatie geen onderscheid tussen “één in de regeling” of “beiden in de regeling”. De partner die onder de Wsnp valt, dient aan de boedel af te dragen het verschil tussen de gezamenlijke inkomens en het berekende vtlb.

Bestaat geen gemeenschap van goederen en is de Wsnp van toepassing op beide echtgenoten, dan wordt voor iedere echtgenoot een afzonderlijke berekening gemaakt.
Het gedeelte van het inkomen boven het vtlb valt immers in verschillende vermogens.
Hierbij geldt de berekening van de toepasselijke Participatiewetnorm voor echtgenoten. Wel moet, zoals hierna aangegeven onder 3.5, het uiteindelijk bepaalde inkomen inclusief vakantieaanspraak van echtgenoot A in mindering worden gebracht op de voor echtgenoot B geldende beslagvrije voet en omgekeerd tot maximaal de helft van de beslagvrije voet inclusief wettelijke correcties.


3.1.2 Artikel 475d lid 1 sub b Rv – Alleenstaanden; ook van toepassing bij
alleenstaande ouder(s)

Deze bepaling luidt:

De beslagvrije voet bedraagt voor de schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:

b. een alleenstaande en een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel a en b, van de
Participatiewet die 21 jaar of ouder zijn, maar nog niet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt:
90% van de norm genoemd in artikel 21, onderdeel a, van de Participatiewet.

Het nettobedrag van het vakantiegeld is niet eenvoudig vast te stellen. De werkgroep adviseert daarom gemakshalve uit te gaan van het in de Participatiewetnorm begrepen netto vakantiegeld (momenteel 5%, artikel 19 lid 3 van de Participatiewet).

De verwijzing naar artikel 25 WWB (nu Participatiewet) is een loze letter; dat artikel bestaat niet meer. Waar voorheen voor een alleenstaande (ouder) tussen de 21 jaar en pensioengerechtigde leeftijd uitgegaan werd van 90% van het werkelijk inkomen met een minimum van 90% van de norm zonder toeslag en met een maximum van 90% van die norm mét toeslag, wordt dit nu altijd 90% van de norm. De toeslag bestaat immers niet meer.
Er kan, bij de berekening van het vtlb, dus gewoon 90% van de norm, genoemd in artikel 21, onderdeel a van de Participatiewet worden gehanteerd voor een alleenstaande (ouder) tussen de 21 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd.

Bij co-ouderschap van 1 kind kan zich in de praktijk een probleem voordoen. Het kind kan immers maar op 1 adres ingeschreven staan. Voor die ouder is de norm alleenstaande van toepassing. Dit geldt ook in het geval er sprake is van een omgangsregeling.
Voor de toepassing van de rekenmethode kan in het geval van co-ouderschap of een omgangsregeling rekening worden gehouden bij de ouder die wel een deel van de lasten draagt (aanwezigheid van het kind gedurende een deel van de week), maar niet de daartegenover staande voorzieningen ontvangt (zoals de kinderbijslag, kindgebonden budget etc.). De verhoging moet handmatig worden berekend en ingevuld worden bij Overige correcties (zie paragraaf 5.8).


3.1.3 Artikel 475d lid 1 sub c Rv – Schuldenaren met de Pensioengerechtigde leeftijd (PGL) en ouder

Deze bepaling luidt:

De beslagvrije voet bedraagt voor de schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:

c. een alleenstaande en een alleenstaande ouder vanaf het moment dat zij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt: negentig procent van de norm genoemd in artikel 22, onderdeel a van de Participatiewet.


3.1.4 Artikel 475d lid 2 Rv – Schuldenaren jonger dan 21 jaar

Deze bepaling luidt:
_
De beslagvrije voet bedraagt voor de schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:

echtgenoten of geregistreerde partners zonder ten laste komende kinderen die beiden jonger zijn dan 21 jaar: 90 procent van de norm genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de
Participatiewet;
echtgenoten of geregistreerde partners zonder ten laste komende kinderen waarvan een van hen jonger is dan 21 jaar: 90 procent van de norm genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;

c. een alleenstaande of alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar: 90 procent van de norm genoemd

in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet;
echtgenoten of geregistreerde partners die beiden jonger zijn dan 21 jaar met een of meer ten laste komende kinderen: 90 procent van de norm genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet;
echtgenoten of geregistreerde partners waarvan een van hen jonger is dan 21 jaar met een of meer ten laste komende kinderen: 90 procent van de norm genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet.


Omdat de bijstandsnormen voor deze jongeren erg laag zijn, kan dit leiden tot een laag vtlb. In schrijnende gevallen kan de rechter-commissaris een bijzondere correctie toepassen.


3.1.5 Artikel 475d lid 3 Rv – Verblijf in inrichting

Deze bepaling luidt:


Indien de schuldenaar ter verzorging of verpleging in een daartoe bestemde inrichting is opgenomen bedraagt de beslagvrije voet de prijs die is verschuldigd voor verzorging dan wel verpleging. De beslagvrije voet wordt verhoogd met twee derden van de norm genoemd in artikel 23 van de Participatiewet.


Dit brengt mee dat de beslagvrije voet bij een verblijf in een inrichting de som is van een eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging, twee derde van de norm van artikel 23 Participatiewet( het zogenaamde zak- en kleedgeld) inclusief VT en de volledige normpremie zorgverzekering.

De definitie van “inrichting” is te vinden in artikel 1 sub g van de Participatiewet: “een voorziening waarbij niet alleen slaapgelegenheid wordt geboden, maar ook de mogelijkheid bestaat van professionele begeleiding en hulpverlening gedurende meer dan de helft van ieder etmaal”. Dit is niet per se een “AWBZ-inrichting”.
Hieronder vallen doorgaans niet: sociale pensions, opvang van dak- en thuislozen en blijf-van-mijn-lijfhuizen. In deze situaties beslist de rechter-commissaris over de toepasbare norm.

De Participatiewetnorm zak- en kleedgeld voor gehuwden is alleen van toepassing als beide echtelieden in de inrichting zijn opgenomen. Als slechts een van beide echtelieden is opgenomen, dan blijft de norm voor gehuwden, niet in een inrichting, van kracht. In deze situatie kunnen de kosten voor het verblijf in de inrichting ingevuld worden bij “overige correcties” bij de partner die het betreft. Bij een verblijf langer dan 6 maanden geldt dat beiden als alleenstaanden worden aangemerkt en moet voor beiden een aparte berekening worden gemaakt.


3.2 Verhoging beslagvrije voet voor zorgpremiekosten

Artikel 475d lid 4 sub a Rv luidt:


De beslagvrije voet wordt verhoogd met:

a. de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de
Participatiewetnorm zoals die voor de schuldenaar geldt ingevolge het eerste, tweede en derde lid, en met de krachtens die wet ontvangen zorgtoeslag, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het beslag ligt;



In het vtlb wordt volledig rekening gehouden met de premie die feitelijk voor de ziektekostenverzekering, inclusief eventueel aanvullende verzekering, wordt betaald.

Iedere meerderjarige moet zelf een basisverzekering voor ziektekosten afsluiten; minderjarige kinderen zijn gratis meeverzekerd met de ouder(s). De premie die voortvloeit uit het afsluiten van de verzekering moet door de schuldenaar zelf worden betaald.

De beslagvrije voet wordt verhoogd met alle door de schuldenaar betaalde ziektekostenverzekeringspremies, ook de premies voor aanvullende ziektekostenverzekeringen minus de normpremie op Participatiewetniveau en de ontvangen zorgtoeslag. De volledige ziektekostenverzekeringspremie moet worden opgenomen, ongeacht soort of hoogte.

De zorgtoeslag waarop men aanspraak kan maken wordt individueel toegekend, maar wordt gebaseerd op het inkomen van de schuldenaar en zijn eventuele partner (artikel 2 lid 1 Wet op de zorgtoeslag).

Als de schuldenaar gehuwd is buiten gemeenschap van goederen of samenwonend is met een partner, wordt de totale correctie voor de ziektekostenpremie van hen samen (dus de door hen beiden al dan niet samen betaalde premie minus de door hen beiden al dan niet samen ontvangen zorgtoeslag) opgeteld bij de beslagvrije voet.



Wanneer de partner, die niet is toegelaten tot de Wsnp, geen informatie wil verstrekken over zijn/haar inkomen en er wordt zorgtoeslag ontvangen, dan wordt geen rekening gehouden met de verhoging van de beslagvrije voet in verband met zorgpremiekosten. Ook als niet bekend is of er zorgtoeslag wordt ontvangen, maar de schuldenaar zou hier gezien de hoogte van zijn inkomen wel recht op hebben, dan wordt de correctie op nihil gesteld.

Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de situatie waarbij de partners toeslagpartners van elkaar zijn en de situatie waarin dit niet het geval is. Voor het begrip partner wordt aangesloten bij de definitie van dit begrip in de Participatiewet.


3.3 Verhoging beslagvrije voet voor woonkosten

Artikel 475d lid 4 sub b Rv luidt:


De beslagvrije voet wordt verhoogd met:

b. de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met dien verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar, uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel 21 van de Wet op de huurtoeslag ten hoogste aanspraak heeft.



3.3.1 Vaststelling woonkosten voor schuldenaar

Wat moet nu worden verstaan onder “de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten”? De verschillende situaties die zich kunnen voordoen:

De woonkosten worden volledig in aanmerking genomen als:
de schuldenaar alleen woont;
de schuldenaar samenwoont met een partner, met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd of geregistreerd (hierbij maakt het niet uit of de Wsnp van toepassing is op de partner)
de schuldenaar het huis deelt met een onderhuurder, kostganger of inwonende (de betalingen door de onderhuurder/kostganger/inwonende, worden als inkomen gezien).

Inwonende met eigen inkomsten
In de situatie dat één of beide partners in de regeling zit(ten) en er daarnaast sprake is van een andere meerderjarige inwonende met eigen inkomen, dient deze inwonende zoals omschreven in 6.1.1 bij te dragen in de woonlasten. Deze bijdrage in de woonlasten wordt direct in mindering gebracht op de gehele woonlasten alvorens deze worden ingevoerd in de calculator. Een dergelijke bijdrage wordt dus niet opgevoerd als inkomen bij de schuldenaar en/of de partner, omdat dit zou leiden tot een onjuist - te hoog of te laag- vastgesteld vrij te laten bedrag.

Inwonende schuldenaar
Indien een schuldenaar inwonend is bij zijn ouders of derden en zijn ouders of derden zitten ook in de schuldsanering, dan zijn de woonlasten van de schuldenaar gelijk aan het bedrag dat de schuldenaar volgens de in de schuldsaneringsregeling van zijn ouders of derden berekende “tegemoetkoming inwonenden” aan zijn ouders of derden moet voldoen.

3.3.2 Huurtoeslag en verhoging in verband met woonkosten

De feitelijk ontvangen huurtoeslag moet worden afgetrokken van de woonkosten. De berekende woonkosten leiden alleen tot een verhoging van de beslagvrije voet als ze uitkomen boven het drempelbedrag van artikel 17 lid 2 Wet op de huurtoeslag (de normhuur van € 204,43 is begrepen in de Participatiewetnorm).

De verhoging van de beslagvrije voet in verband met woonkosten is op grond van artikel 475d lid 4 onder b Rv aan een maximum gebonden. Om dit maximum vast te stellen dient de zogenaamde abstracte methode te worden gehanteerd, d.w.z. dat met de daadwerkelijke woonkosten geen rekening moet worden gehouden en dat alleen gekeken moet worden naar het bedrag dat iemand die in dezelfde omstandigheden verkeert, maar een minimaal inkomen heeft, op grond van de Wet op de Huurtoeslag ten hoogste aan huurtoeslag zou kunnen ontvangen. Het doet er dus niet toe welke huur wordt betaald en ook niet of de huur uitgaat boven de voor het ontvangen van huurtoeslag maximaal toegestane huur.


3.3.3 Correctie woonlasten niet gecorrigeerd door 475d Rv

De beslagvrije voet kan maximaal worden verhoogd met het bedrag waarop iemand fictief recht zou hebben aan huurtoeslag wanneer hij of zij een inkomen op Participatiewetniveau zou hebben.
Op het moment dat de verhoging van de beslagvrije voet uitstijgt boven de maximale huurtoeslag wordt dit dus niet meer meegenomen in de beslagvrije voet. Toch zal het vaak noodzakelijk zijn met dat meerdere rekening te houden. In die gevallen moet voor het bedrag dat uitstijgt boven de maximale huurtoeslag een correctie worden toegepast.

Deze extra correctie wordt opgenomen in het nominale deel van het vrij te laten bedrag. In de calculator staat het veld “correctie woonlasten boven correctie 475d Rv” standaard op ja, zodat in ieder geval in de berekening naar voren komt dat er sprake is van woonlasten die niet volledig worden gecorrigeerd in de beslagvrije voet op grond van artikel 475d, lid 4 sub b Rv.

Wanneer dit het geval is zal aan de rechter-commissaris voorgelegd moeten worden of deze correctie mag worden toegestaan en eventueel voor welke periode. Een beperking in de periode kan bijvoorbeeld aan de orde zijn in de situatie dat de schuldenaar naar het oordeel van de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk dient te verhuizen omdat de huur te hoog is (denk hierbij aan een huur die hoger is dan 1/3 van het netto inkomen) en aannemelijk is dat er goedkopere alternatieven beschikbaar zijn.

De correctie voor “woonlasten niet gecorrigeerd door 475d, lid 4, sub b Rv” wordt naar rato van het inkomen verdeeld wanneer de schuldenaar samenwoont met een (geregistreerde) partner met wie geen gemeenschap van goederen bestaat (hierbij maakt het niet uit of de Wsnp van toepassing is op de partner). Dit blijkt niet uit de wettekst, maar de Werkgroep heeft gekozen voor deze methode omdat die het meest redelijk is. De volgende formule wordt in de calculator gebruikt.

Inkomen schuldenaar
---------------------------------------------* correctie woonlasten boven 475d Rv
Inkomen schuldenaar + inkomen partner

Voorbeeld

De gezamenlijke huur is € 720,-. Het inkomen van de Wsnp partner is € 1.600,-, dat van de niet-Wsnp partner € 500,-. De correctie voor “woonlasten niet gecorrigeerd door 475d
Rv” bedraagt € 169,38. De correctie voor de schuldenaar voor deze post is dan € 129,05.

1.600
_ * 169,38 = 129,05
1.600 + 500

Als inkomen wordt in de berekening meegenomen:
Al het inkomen (zoals ingevoerd in de calculator) inclusief vakantietoeslag, maar met aftrek van de tegemoetkoming auto/reiskosten werkgever.

N.B. Deze correctie wordt automatisch door de calculator toegepast.


3.3.4 Inkomen partner is niet bekend

Is bekend dat de partner, die niet is toegelaten in de Wsnp en waarbij geen sprake is van gemeenschap van goederen, inkomen heeft, maar niet hoe hoog dit inkomen is, dan is het de taak van de schuldenaar deze informatie aan de bewindvoerder te geven. Hij moet immers aantonen aanspraak te maken op een verhoging. Hij kan dit aantonen door inzicht te geven in alle relevante omstandigheden, waaronder het inkomen van de partner. Verstrekt de schuldenaar niet de vereiste informatie over het inkomen van de niet-wsnp partner en leidt dit niet tot een tussentijdse beëindiging van de regeling, dan wordt geen rekening gehouden met de verhoging van de beslagvrije voet op grond van woonkosten.


3.3.5 Negatieve correctie als de woonkosten lager zijn dan de minimum normhuur

Wanneer een schuldenaar geen tot weinig woonlasten heeft, kon voorheen de optie 10% korten (op de bijstandsnorm) worden toegepast. Deze mogelijkheid is komen te vervallen, omdat de wet is veranderd en de beslagvrije voet op deze grond niet meer kan worden verlaagd. Daarom zal in situaties waarin de netto woonlasten lager zijn dan de normhuur, automatisch het verschil tussen de netto woonlasten en de normhuur door de calculator negatief worden gecorrigeerd in het nominale bedrag zodat het vrij te laten bedrag wordt verlaagd.

Mocht het vrij te laten bedrag door de negatieve correctie echter lager zijn dan de beslagvrije voet, dan zal de beslagvrije voet aangehouden moeten worden als vrij te laten bedrag. Alleen het inkomen boven de beslagvrije voet (ondergrens) valt immers in de boedel.

Voor alleenstaanden en alleenstaande inwoners (kostendelers) geldt dezelfde beslagvrije voet. Dit kan “oneerlijk” overkomen omdat alleenstaanden geen kosten kunnen delen. De gevolgen van de invoering van de kostendelersnorm zijn niet doorgevoerd in artikel 475d Rv. Het is gezien de brieven van de staatssecretaris van 19 juni en van september 2015 een bewuste keuze van de wetgever geweest de beslagvrije voet niet aan te passen in geval van kostendelers. Het is om deze reden niet de bedoeling de berekening van het vrij te laten bedrag voor kostendelers aan te passen.


3.3.6 Servicekosten

Servicekosten zijn ook onderdeel van de woonkosten. Voor de definitie van servicekosten
wordt aangesloten bij artikel 5 lid 3 Wet op de huurtoeslag. In dit artikel staat omschreven welke kosten als servicekosten in aanmerking komen, namelijk:
kosten voor het in bedrijf zijn van lift-, ventilatie-, hydrofoor- en alarminstallaties, en van verlichting van door de huurder met anderen gemeenschappelijk gebruikte ruimten;
schoonmaakkosten van de lift en andere gemeenschappelijke ruimten;
de kosten voor de diensten van een huismeester;
kapitaals- en onderhoudskosten van dienstruimten en gemeenschappelijke recreatieruimten.

De wet gaat uit van maximaal € 48,- per maand aan servicekosten in totaal met afzonderlijke maxima voor onderdelen van de servicekosten. Die nadere eis wordt niet in aanmerking genomen. Als er sprake is van genoemde servicekosten wordt met een bedrag van maximaal € 48,- per maand rekening gehouden.


3.3.7 All-in huur

Deze situatie doet zich regelmatig voor bij huurders van onzelfstandige woonruimte (kamerhuurders). Behalve de vergoeding voor het woongenot betalen zij ook een bedrag voor de dekking van bijkomende kosten (nutsvoorzieningen, gemeentelijke lasten, collectieve voorzieningen). Als in het huurcontract een uitsplitsing is gemaakt tussen de kosten voor het woongenot (wooncomponent) en de vergoeding voor overige
voorzieningen, moet bij de berekening van het vtlb alleen rekening gehouden worden met de wooncomponent. Normbedragen zijn terug te vinden in bijlage 2.
Is er geen uitsplitsing gemaakt (de zogenaamde all-in huur) dan zal de bewindvoerder zelf moeten bepalen welk deel de woonlasten betreffen. Dit kan door van het maandelijks te betalen bedrag de kosten voor de bijgeleverde diensten af te trekken. Afhankelijk van het aantal dagen dat iemand de kamer huurt, kan dan een bedrag worden bepaald per maand. Door dit bedrag in mindering te brengen op de all-in huur, wordt de wooncomponent bepaald.
Voor bijdragen in gemeentelijke heffingen en eventuele overige voorzieningen bestaan geen landelijk geldende normen op basis waarvan die bijdragen zijn te waarderen. Dit is iets dat de bewindvoerder zelf moet bepalen.


3.3.8 Eigen woning

Uitgangspunt is dat in de meeste gevallen de woning binnen de termijn van de regeling verkocht zal worden.

Indien een eigen woning te koop staat en de maandelijkse hypotheekrente niet op te brengen is, dan dient in de calculator het bedrag te worden ingevuld dat daadwerkelijk wordt betaald aan hypotheeklasten. Als dit bedrag lager is dan de minimale normhuur, dan is paragraaf 3.3.5 van toepassing en zal een negatieve correctie worden toegepast. Let op dat ook in deze situaties de WOZ-waarde in de calculator wordt ingevuld zodat de correctie ‘overige kosten van de woning’ wordt toegepast.

Woont de schuldenaar in een eigen woning, dan worden als woonkosten aangemerkt betaalde hypotheekrente, erfpacht en overige kosten. Aflossingen op een bestaande hypothecaire lening vormen geen woonkosten. Het gaat dan om vermogensvorming. Hetzelfde geldt voor de premie van een kapitaalverzekering. Alleen in het geval dat vermogensvorming de boedel ten goede komt, bijvoorbeeld omdat de woning binnen de regeling verkocht wordt omdat er een overwaarde is, is er reden om ook rekening te houden met betaalde aflossingen of premies van een kapitaalverzekering. In het geval uitsluitend sprake is van een overlijdensrisicoverzekering zonder vermogensopbouw, in combinatie met passende woonlasten, dan wordt de beslissing inzake eventuele verkoop of behoud van de woning met correctie beargumenteerd voorgelegd aan de rechter-commissaris.

Voor de overige kosten kan gedacht worden aan de premie voor opstalverzekering, en klein onderhoud. Berekeningen van het Nibud (januari 2013) wijzen uit dat hiervoor een maandbedrag ter hoogte van 0,057% van de WOZ-waarde van de woning kan worden aangehouden. Met groot onderhoud is bij de bepaling van het forfaitaire bedrag geen rekening gehouden; dit kan immers over het algemeen worden uitgesteld.

Ditzelfde forfaitaire bedrag wordt aangehouden als deze kosten worden voldaan door de Vereniging van Eigenaren (VvE). De bijdrage aan de VvE kan dan worden meegenomen voor 0,057% van de WOZ-waarde. Als de bijdrage aan de VvE hoger ligt, dan zal schuldenaar het meerdere uit het vtlb moeten betalen.

Betaling van de hypotheekrente levert over het algemeen een fiscaal voordeel op. Dit voordeel moet worden gezien als inkomen. Het fiscaal voordeel wordt dus niet op de woonkosten in mindering gebracht. Het fiscale voordeel moet door de schuldenaar worden aangevraagd zodat het maandelijks wordt verkregen.

ls de Wsnp op beide partners, tussen wie geen gemeenschap van goederen bestaat, van toepassing is, dan moet het fiscale voordeel over beide boedels verdeeld worden. De andere partner draagt ook een deel van de woonkosten. Het fiscale voordeel wordt

daarom met toepassing van de formule onder 3.3.3 verdeeld over beide boedels door middel van een handmatige berekening. De verdeling vindt plaats op het tijdstip dat het voordeel daadwerkelijk in de boedel van de betalende partner vloeit.

Voorbeeld

Partner A draagt volgens deze methode 80% van de woonkosten, partner B 20%. De hypotheekrente wordt feitelijk door A betaald. Op aangifte wordt in mei volgend op het jaar waarin de rente betaald is door de Fiscus aan A € 2.000,- terugbetaald. Dit bedrag wordt aan de boedel van A afgedragen. Na ontvangst maakt de bewindvoerder € 400,- over aan de boedel van B.

Indien de Wsnp niet op beide partners van toepassing is, er sprake is van twee partners en er is geen sprake van gemeenschap van goederen, dan wordt het fiscaal voordeel wel in mindering gebracht op de totale woonkosten. Valt het fiscale voordeel in dat geval bij de partner die niet in de Wsnp zit en is de hoogte van het bedrag niet bekend, dan kan het fiscale voordeel op 38 % van de bruto hypotheeklasten worden geschat. Het fiscale voordeel dient in mindering te worden gebracht op de bruto hypotheeklasten. De uitkomst van deze som dient in de calculator te worden ingevuld bij woonkosten en de calculator zal dan berekenen welk deel van de woonlasten ten laste komt van de schuldenaar.

De reden voor deze uitzondering is dat als de Wsnp van toepassing is op slechts één van de partners (geen gemeenschap van goederen) de bewindvoerder niet kan beschikken over het inkomen van de partner. Verdeling van het fiscale voordeel als hiervoor (boven het voorbeeld) beschreven is dus niet uitvoerbaar. Het kan echter niet zo zijn dat (een deel van) de hypotheekrente als woonkosten van de schuldenaar wordt aangemerkt, terwijl de teruggave wordt aangevraagd door de partner. In geval van fiscaal partnerschap dient de fiscale aftrek plaats te vinden bij degene die daarvan het hoogste fiscale voordeel geniet, indien dit fiscaal gezien mogelijk is.


3.4 Verhoging in verband met het (fictief) kindgebonden budget

Art. 475d lid 4 sub c Rv luidt:

De beslagvrije voet wordt verhoogd met:

c. het bedrag waarop de schuldenaar op basis van artikel 2, tweede tot en met zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget, maximaal aanspraak zou kunnen maken, verminderd met het krachtens die wet ontvangen bedrag.


Wanneer men een laag inkomen heeft, bestaat jegens de fiscus aanspraak op een bijdrage of tegemoetkoming in de kosten van onderhoud van kinderen. Schuldenaren in de Wsnp hebben – op papier althans – niet altijd een laag inkomen en kunnen daarom tegenover de fiscus niet altijd aanspraak hierop maken. Feitelijk moet men wel van een laag inkomen leven. Omdat anderen in de regeling – die van een vergelijkbaar laag inkomen moeten leven – wel aanspraak kunnen maken op het kindgebonden budget en dit ook mogen behouden, wordt de beslagvrije voet in die gevallen opgehoogd, zoals ook is geregeld in art 475d Rv.

De hoogte van het kindgebonden budget hangt af van het aantal kinderen onder de 18, het verzamelinkomen, de gezinssamenstelling, de leeftijd en het type onderwijs van de kinderen. Zo heeft een alleenstaande ouder recht op kindgebonden budget en bestaat aanspraak op een verhoging van het kindgebonden budget in een berekeningsjaar voor een kind met ingang van de kalendermaand na de maand waarin dat kind de leeftijd van

12 of 16 jaar heeft bereikt. Het kindgebonden budget wordt altijd vooruitbetaald, zodat de betaling al plaats vindt in de maand dat het kind 12 jaar wordt.

Het vtlb wordt verhoogd met het verschil tussen het maximale bedrag dat het huishouden met dat aantal kinderen van die leeftijd zou kunnen ontvangen en de daadwerkelijk ontvangen toeslag. De schuldenaar moet wel aantonen dat hij een aanvraag voor een kindgebonden budget heeft ingediend bij de Belastingdienst, afdeling Toeslagen.


3.5 Artikel 475d lid 5 Rv – Aftrek van inkomsten partner

Deze bepaling luidt:

Voor zover het echtgenoten of geregistreerde partners betreft, wordt de beslagvrije voet voor ten hoogste de helft verminderd met het eigen, niet onder beslag liggende periodieke inkomen inclusief vakantie-aanspraak van degene aan wie de uitkering samen met de schuldenaar zou kunnen toekomen.


Wanneer er sprake is van twee partners en er is geen sprake van gemeenschap van goederen, dan worden de inkomsten van de partner afgetrokken van de beslagvrije voet voor echtgenoten/partners, tot maximaal de helft van dat bedrag. Deze aftrek vindt plaats nadat de beslagvrije voet is verhoogd met zorgpremiekosten, woonkosten en het (fictief) kindgebonden budget.
Als het inkomen van de partner lager is dan de helft van de berekende beslagvrije voet dan moet het feitelijk inkomen inclusief vakantietoeslag, worden afgetrokken van de beslagvrije voet van de andere partner.

Ontvangt de schuldenaar zelf of zijn niet-Wsnp partner studiefinanciering ingevolge de Wet op de studiefinanciering 2000, dan valt deze uitkering slechts in de boedel voor zover zij is bedoeld voor levensonderhoud (zie ook paragraaf 6.2).

De (algemene) heffingskorting die de partner ontvangt van de fiscus, wordt gezien als inkomen voor die partner.

In de calculator worden geen correcties meer toegepast waarbij het inkomen van de partner van belang kan zijn als er sprake is van één partner in de regeling en er geen, voor de beoordeling van de verzochte correctie noodzakelijke, inzage wordt gegeven in het inkomen van de partner die niet in de regeling zit.

Verstrekt de schuldenaar niet de vereiste informatie over het inkomen van de niet-Wsnp partner en leidt dit niet tot een tussentijdse beëindiging van de regeling, dan wordt maximaal afgetrokken (dus tot de helft van de participatiewetnorm). De Wsnp partner moet aantonen dat de aftrek te hoog is.

Het maandelijkse inkomen van de niet-Wsnp partner moet verhoogd worden met het vakantiegeld, indien dit uitgekeerd zal worden. Dit netto-vakantiegeld is vaak niet eenvoudig vast te stellen. Daarom wordt uitgegaan van de netto-toeslag.

4 STAP 2 – Reserverings-en arbeidstoeslag en correctie voor Eigen Risico
zorgverzekering

De beslagvrije voet wordt verhoogd met drie verhogingen die niet uit de wet volgen: de reserveringstoeslag, de arbeidstoeslag en de correctie voor eigen risico ziektekostenverzekering.

4.1 Reserveringstoeslag: 5% van de Participatienorm

De toeslag van 5% is bedoeld voor reserveringen voor grotere uitgaven, bijvoorbeeld een wasmachine, niet-verzekerde tandartskosten en dergelijke.

Deze toeslag wordt berekend over het bedrag dat over blijft na inkomensaftrek van de partner (artikel 475 d lid 5 Rv), waarbij voor deze berekening nooit méér wordt afgetrokken dan de helft van 90% van de van toepassing zijnde participatiewetnorm, zodat de totale reserveringstoeslag altijd 5% van de van toepassing zijnde participatiewetnorm blijft.

Bij alleenstaanden en alleenstaande ouders gaat het dus om 5% van de Participatiewetnorm voor alleenstaanden.
Heeft de schuldenaar een partner en bestaat er een gemeenschap van goederen, dan wordt één berekening gemaakt en is de aftrek niet aan de orde.
Heeft de schuldenaar een partner en bestaat er geen gemeenschap van goederen, dan wordt de toeslag verdeeld over beide partners (als zij beiden in de regeling zitten) of slechts gedeeltelijk aan de schuldenaar toegekend (als hij alleen in de regeling zit).

Verdeling of toedeling van de toeslag kan ertoe leiden dat de toeslag voor de schuldenaar geheel of gedeeltelijk verloren gaat in die zin dat niet wordt bereikt dat de partners samen beschikken over 95% van de Participatienorm. In deze situatie wordt het deel van de toeslag zo nodig “overgeheveld” naar de andere partner tot een verhoging van maximaal 5% van de Participatienorm. Zo beschikken de partners alsnog samen over 95% van de Participatienorm.

Voorbeeld
Op de man is de regeling van toepassing. Hij is buiten gemeenschap van goederen gehuwd. Ook op zijn echtgenote is de regeling van toepassing. De man heeft een inkomen van € 1.500 (exclusief vakantiegeld) per maand. Stel dat de
Participatiewetnorm voor een echtpaar € 1.250 (fictief bedrag) bedraagt. De vrouw ontvangt maandelijks van de fiscus € 130. Dit laatste bedrag ligt ruimschoots onder de voor de vrouw geldende beslagvrije voet.
Verdeling van de toeslag leidt nu tot een verhoging van het vtlb van de man met € 49,75 (90% * € 1.250 minus € 130 (= € 995), over het resultaat 5%) en dat van de vrouw met € 28,13 (90% * € 1.250 / 2 (= € 562,50), over het resultaat 5%).
Het vrij besteedbare inkomen (beslagvrije voet + nominaal bedrag) van de man komt daarmee op € 1.044,75 (=995+49,75). Gezamenlijk hebben zij een vrij besteedbaar inkomen van € 1.174,75. Dit is € 12,75 minder dan 95% van de Participatienorm (circa € 1.187,50). De verhoging van de vrouw wordt nu opgeteld bij de man tot een verhoging van maximaal 5% van de Participatienorm (5% van € 1.250, dus € 62,50). Zijn vtlb bedraagt dan € 1.057,50, dat van de vrouw € 130, in totaal € 1.187,50.
De calculator voert deze berekening automatisch uit.

Is de schuldenaar opgenomen in een inrichting, dan bedraagt de verhoging 1/6 van de voor hem geldende Participatienorm (artikel 23 Participatiewet).


4.2 Arbeidstoeslag: 5% van de Participatiewetnorm

Schuldenaren met een inkomen uit arbeid krijgen een toeslag van nog eens 5% van de toepasselijke participatiewetnorm extra.
Zij krijgen dus de beslagvrije voet plus 5% reserveringstoeslag plus 5% arbeidstoeslag is in totaal 100% van de Participatiewetnorm.
Deze toeslag is bedoeld als forfaitaire vergoeding voor beroepskosten. Criterium voor de toeslag is dat men minimaal 18 uur per week moet werken. Hieronder vallen inkomsten uit dienstbetrekking, overige netto-inkomsten of overige inkomsten uit arbeid. De toeslag wordt maar één keer toegekend, ook al werken beide partners. In het geval dat beide partners werken en een substantieel deel van het inkomen afstaan aan de boedel, kan de rechter-commissaris bepalen dat beide partners een toeslag van 5% ontvangen. Dit gaat dan via overige correcties.

Bij kortdurend ziekteverzuim (korter dan 6 maanden) blijft de toeslag gehandhaafd.

Bij partners waar tussen geen gemeenschap van goederen bestaat wordt de toeslag toegekend aan de werkende partner. Werken beide partners, dan wordt de toeslag over beiden verdeeld. Ook hier vindt indien nodig een overheveling plaats als de toeslag verloren dreigt te gaan.

Bestaat er een gemeenschap van goederen tussen partners, maar zit maar één van hen in de regeling, dan wordt de volle 5% toegekend aan de (werkende wsnp)partner, zonder rekening te houden met een eventuele vermindering van de beslagvrije voet als in artikel 475 d lid 5 Rv.


4.3 Correctie voor eigen risico ziektekostenverzekering

Het verplichte eigen risico voor de ziektekostenverzekering bedraagt in 2016 € 385,00 per volwassene per kalenderjaar, dus € 32,08 per maand. Dit bedrag wordt automatisch gecorrigeerd. Is het eigen risico afgekocht dan moet worden aangevinkt dat er geen correctie voor het eigen risico toegepast moet worden.

In sommige polissen staat onterecht vermeld dat het eigen risico is afgekocht terwijl feitelijk sprake is van een maandelijkse betaling van 1/12 deel van het (eventueel) eigen risico. De vink dient alleen te worden toegepast als op 1 januari al duidelijk is dat er daadwerkelijk geen eigen risico kan wordt geïncasseerd vanwege een afkoop (in ruil waarvoor dan extra premie betaald is).

Let op: Als iemand zijn eigen risico niet heeft afgekocht maar geen zorgkosten heeft gemaakt, dient dit vinkje niet te worden toegepast.

Naast het verplichte eigen risico is het mogelijk om daarbovenop nog een vrijwillig eigen risico te nemen. Aan schuldenaren die vrijwillig een hoger eigen risico nemen, wordt daarvoor geen compensatie gegeven, omdat dit een risico vormt dat niet past binnen het kader van de Wsnp. De kans op nieuwe bovenmatige schulden is immers groot.
Uitgangspunt is dat schuldenaren goed tegen ziektekosten verzekerd moeten zijn en daar door de correctie van de premies ook voor gecompenseerd worden. Een hoog eigen risico is daar niet mee te verenigen.

Het is dus af te raden om schuldenaren een vrijwillig eigen risico te laten nemen. Financieel is dat voor hen ook niet voordelig: de lagere premie bij een vrijwillig eigen risico leidt immers tot een lagere correctie.
Aangezien men slechts per 1 januari het vrijwillig eigen risico kan wijzigen, kan gedurende een gedeelte van het eerste jaar van de schuldsanering aangepast beleid nodig zijn met betrekking tot het vrijwillig eigen risico van de schuldenaar.


5 STAP 3 - Kosten waarvoor gecorrigeerd kan worden door de rechter-
commissaris

Ingevolge art. 295 lid 3 Fw kan de rechter-commissaris de beslagvrije voet verhogen met een zogenaamde nominaal bedrag. In de calculator worden geen correcties meer toegepast als er sprake is van één partner in de regeling en er geen, voor de beoordeling van de verzochte correctie noodzakelijke, inzage wordt gegeven in het inkomen van de partner die niet in de regeling zit.
Hierna wordt een aantal veel voorkomende correcties besproken.


5.1 Gemeente- en waterschapsbelastingen

Schuldenaren met een substantieel inkomen zullen veelal niet voor kwijtschelding van lokale belastingen zoals WVO-heffing en ingezetenenomslag (waterschap), afvalstoffenheffing en rioolheffing (gemeente) in aanmerking komen, aangezien geen rekening wordt gehouden met de verplichte afdracht aan de boedel. Om het hieruit voortvloeiende nadeel te compenseren kan de volgende oplossing worden gehanteerd.

Nadat is gebleken dat schuldenaar vanwege het eigen inkomen niet voor kwijtschelding in aanmerking komt, kan een verzoek tot de rechter-commissaris gericht worden om het bedrag van de aanslagen lokale belastingen uit de boedel te betalen. De rechtercommissaris verleent deze toestemming alleen als een verzoek tot kwijtschelding door de desbetreffende instantie is afgewezen (schuldenaar dient de afwijzende beschikking te overleggen). Bij nagenoeg ongewijzigd inkomen hoeft de kwijtschelding noch de correctie elk jaar opnieuw te worden aangevraagd.

Bovenstaande geldt ook voor de gemeentelijke en waterschapslasten die samenhangen met een eigen woning, waarvoor in de regel geen kwijtschelding zal worden verleend, zoals onroerendzaakbelasting en omslag gebouwd (een heffing van het waterschap voor woningbezitters).

Deze regels gelden niet voor de hondenbelasting.

Voor vaststelling van de ontstaansdatum van een vordering van gemeentelijke heffingen is het van belang of het om een tijdstipbelasting of een tijdvakbelasting gaat.

Bij een tijdstipbelasting wordt de heffingsmaatstaf bepaald naar de situatie op een bepaald moment. Hieronder vallen de onroerendezaakbelasting en de rioolheffingen. Wanneer de schuldenaar op het beoordelingsmoment (bij OZB is dat 1 januari) nog niet was toegelaten tot de Wsnp, valt de volledige aanslag voor dat jaar, indien hij niet betaald was, onder de Wsnp. Valt het beoordelingsmoment na de toelating dan dient het te worden betaald uit het vtlb, dan wel uit de boedel.

Bij tijdvakbelastingen gaat het om wat gedurende een bepaalde periode voor de heffing van de belasting actueel is. Hieronder vallen de afvalstoffenheffing, reinigingsrechten, grafrechten, rioolrecht en hondenbelasting. Hierbij wordt de vordering dus naar rato toegerekend aan het jaar. Voor zover het de periode voor toelating betreft vallen deze belastingen dan onder de werking van de Wsnp. Voor zover het de periode betreft waarin de Wsnp van toepassing is dan dient te worden betaald uit het vtlb, dan wel uit de boedel.

5.2 Ziektekosten

5.2.1 Voorliggende voorzieningen

Indien er uitgaven zijn met betrekking tot ziekte en/of invaliditeit moet in eerste instantie worden bekeken of er voorzieningen zijn die deze uitgaven vergoeden. In onderstaand schema staat een overzicht van deze voorzieningen en welke uitgaven zij vergoeden. Deze worden in de paragrafen hieronder toegelicht.


Voorziening
Toepassing
Uitvoerder
Betaling
Vtlb
Vergoeding
Aanvragen?
Beslagverbod

Basisverzekering
Zie polis
Verzekeraar
Premie
Correctie in vtlb als premie boven normpremi
e is
Zorgtoeslag
Bij
Belastingdienst
Ja; correctie in vtlb als niet maximale zorgtoeslag




Verplicht eigen risico (max. € 385)
Correctie voor
maximale
eigen risico


Nee

Aanvullende verzekering
Zie polis
Verzekeraar
Premie
Correctie in vtlb
Evt. gemeentelijke vergoeding
Gemeente
Nee

WMO
Zorg, huishoude-
lijke hulp, verpleging vervoer, woningaanpassing
Indicatie via CIZ of gemeente
Eigen bijdrage
Correctie als deze hoger is dan minimale eigen bijdrage
Evt. bijzondere bijstand aanvragen voor eigen bijdrage; ook indien slechts minimaal
Gemeente
Ja

WMO als persoonsgebonden budget
Zorg, huishoude-
lijke hulp, verpleging vervoer, woningaanpassing
Indicatie via CIZ of gemeente
Geen
Geen correctie
Persoonsgebonden budget
CIZ of gemeente
Afhankelijk van doel

Bijzondere bijstand
Ziektekosten die door andere partijen niet worden vergoed
Gemeente
Geen
Geen
correctie
Bijzondere bijstand
Gemeente
Ja

Belastingteruggaaf / TSZ
Zie Wet Inkomstenbelasting Hoofdstuk 6
Belastingdienst
Geen
Geen
correctie
Belastingteruggaaf / TSZ
Belastingdienst
Nee




5.2.2 Correcties

Als de voorgaande opties niet voldoende soelaas bieden, kan de schuldenaar verzoeken om verhoging van het vtlb. De rechter-commissaris kan beslissen een verhoging toe te kennen. Ook hiervoor geldt dat kosten die niet medisch noodzakelijk zijn of die niet urgent zijn (volledige gebitsrenovatie bijvoorbeeld) niet uit de boedel kunnen worden vergoed. Medische kosten die niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat bijvoorbeeld de werking van het middel of de behandeling onvoldoende is aangetoond, kunnen evenmin uit de boedel worden vergoed.

5.2.3 Eigen bijdrage WMO

Voor zorg en ondersteuning in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) kunnen eigen bijdragen worden gevraagd. De som van de eigen bijdragen van deze wetten mogen niet boven een inkomensafhankelijk maximum terecht komen.

Als inkomensbegrip geldt hiervoor het verzamelinkomen van twee jaar geleden voor het huidige jaar (t-2). Schuldenaren met twee jaar geleden een relatief hoog verzamelinkomen kunnen dus te maken krijgen met een hoge eigen bijdrage. Voor de minimale eigen bijdrage zie bijlage 2. Bij een hogere eigen bijdrage zou het meerdere dan gecorrigeerd dienen te worden. Dit kan in de Calculator bij “overige correcties” worden ingevoerd.


5.3 Kosten auto en vervoer

5.3.1
Het belangrijkste in communicatie, is te horen wat er niet wordt gezegd
 
Josje
#2 Bericht afdrukken
Geplaatst op 18. August 2016 11:46
Avatar van gebruiker



Berichten: 92
Datum van aanmelding: 29.06.13

Maickel als ik hier niet mag posten wil je mijn reactie dan verplaatsen?

Bedankt voor deze uitvoerige uitleg en verwijzingen!
Ik heb de calculator gedownload, maar bij de invoer vraag ik me af of nu wel of niet mijzelf als partner moet invoeren.
Mijn vriend en ik hebben geen samenlevingscontract, het huis waarin hij ook officieel inwoont heb ik alleen gekocht in 2012 en betaal ikzelf de hypotheeklasten voor.
 
Maickel
#3 Bericht afdrukken
Geplaatst op 19. August 2016 20:03
Avatar van gebruiker

Beheerder


Berichten: 929
Datum van aanmelding: 05.11.07

Je mag hier gerust posten. Wel bedenken/realiseren dat dit deel niet besloten is en daarmee iedereen dit kan lezen. Niets mis mee overigens doordat nu ook niet leden mogelijk iets aan jouw vraag hebben.

Om je vraag te beantwoorden: het is maar de vraag wat voor VTLB je wilt berekenen. Je kunt jezelf als partner ingeven op diverse manieren. Als mede schuldenaar maar ook als niet in regeling zijnde partner.
Ondanks dat er geen samenlevingsovereenkomst is, is het wel je partner. Hij woont ook rechtmatig in en zal derhalve als kostendeler worden gezien.

De VTLB calculator moet je puur zien als rekentool om de afloscapaciteit van de schuldenaar te kunnen vaststellen. Jouw inkomen is daar op van invloed daar kosten gedeeld kunnen worden naar rato van het inkomen.
Het belangrijkste in communicatie, is te horen wat er niet wordt gezegd
 
Josje
#4 Bericht afdrukken
Geplaatst op 20. August 2016 09:40
Avatar van gebruiker



Berichten: 92
Datum van aanmelding: 29.06.13

Dank voor de goede uitleg Maickel.

Mijn vraag betreft een eventuele VTLB voor het geval er alsnog een schuldsanering komt.
Zijn schulden zijn uit het verleden, maar inderdaad wonen we officieel samen sinds begin 2013.
 
Spring naar forum:
Inloggen
Gebruikersnaam

Wachtwoord



Nog geen lid?
Klik hier om u aan te melden.

Wachtwoord vergeten?
Vraag hier om een nieuw wachtwoord.
Shoutbox
U dient in te loggen om een bericht te plaatsen.

13. July 2017 11:50
Unieke bezoeken bijna 4miljoen 👐

17. April 2017 10:57
Uiteraard komt dat nooit door één wedstrijd. Hopelijk in de toekomst weer naar de Vetkampstraat (wel eredivisie) 😉

16. April 2017 18:22
Ja, "bedankt" voor de genadeklap. Het lag/ligt niet aan jouw clubje. Het ging al langer bergafwaarts. Misschien na het volgend seizoen weer terug, al twijfel ik daar ook wel over.

16. April 2017 15:41
Sorry Klaasvaak dat vandaag de genadeklap aan je club is gegeven. Had ze liever erin gezien Bye

09. December 2016 00:40
Zover ik kan zien staan ze voor iedereen aan. Ik zie van anderen ook smileys Smile

03. December 2016 15:17
Ik kan nergens, binnen deze site,een optie vinden om smileys aan of uit te zetten. Een beheerder zou dit volgens mij bij zijn instellingen voor iedereen aan of uit te zetten?. Misschien bij mij verget

03. December 2016 14:33
Raar, zou het aan je instellingen kunnen liggen? Ik zie bij shouts van anderen ook smileys te staan

03. December 2016 10:33
Leuk hè. Ik zie ze ook allemaal wel, maar als ik op één van de smileys klik dan komt deze niet in mijn bericht te staan.

03. December 2016 01:51
Wat dacht je van deze Frown Angry Bugs Helpless

02. December 2016 14:07
Jou wel. Mij maakt het zeker niet blij. Grote treurnis de laatste weken. Waarom kan ik dat niet laten zien met een gepaste smiley?

Verwerkingstijd: 0.13 seconden 3,965,722 unieke bezoeken